Onze visie op de kunsthumaniora                       

  Het opvoedingsproces
 
Het opvoedingsklimaat
 
Wat van de leerling wordt verwacht
    
a. Aanleg en interesse
    
b. Motivatie
    
c. Bijkomende persoonlijke eigenschappen


Het opvoedingsproces                                                                            

Het opvoedingsproces in het K.S.O. steunt zeer nadrukkelijk op de heel bijzondere relatie leraar-creatie-leerling. Door de duidelijke gerichtheid van de studie en door de wederzijdse betrokkenheid van de leerling en de leraar bij de beeldende materie, is het een relatie van gelijkgestemden. Deze relatie wordt aangevuld - zelfs geëvalueerd - door het fenomeen van interacties die ontstaan tijdens het ateliergebeuren, waar de wisselwerking individu-groep rectificerende impulsen teweegbrengt.

Het opvoedingsproces vormt dus een complex geheel van relaties en interacties waarin het essentieel gaat om een individueel zoeken van de leerling, dat vanwege de leraars, de groep, het ateliergebeuren en het totale schoolgebeuren andere en nieuwe stimuli moet krijgen.


Het opvoedingsklimaat                                                                           

Dat opvoedingsproces kan slechts voltrokken worden in een geëigend opvoedingsklimaat : een geestelijk klimaat van volkomen en onbevooroordeelde openheid, waarbinnen de leerling moet kunnen ervaren dat invraagstelling, kritische benadering, het vinden en realiseren van eigen beeldende oplossingen en de zin voor vernieuwing als een positieve dynamiek wordt nagestreefd en beleefd.

Alleen binnen dit klimaat kan het opvoedingsproces doelgericht verlopen. Het moet immers appeleren aan wat in cultuurhistorisch verband door het beeldend intellect gepresteerd werd. Daar kan de leerling in zijn persoonlijke praxis niet omheen. Zo moet de leerling alles kunnen "bevinden" wat verleden, heden en morgen is : d.i. herkennen, kennen en zichzelf erin situeren.


Wat van de leerling wordt verwacht                                                     

a. Aanleg en interesse

Aanleg is niet zo direct te bepalen.

Hij kan zich uiten in het graag tekenen en/of de tekenvaardigheid. Hij kan ook besloten liggen in de drang van de jonge leerling zich beeldend te uiten, zelfs wanneer hij geen vaardigheid in het tekenen heeft kunnen verwerven wegens gebrek aan opleiding terzake.

En in het kunstonderwijs gaat het ook weer niet in de eerste plaats om tekenvaardigheid, maar veel meer om het inzicht in de vormentaal. Alleszins moet de kandidaat-leerling de weloverwogen interesse manifesteren om beeldend te gaan werken omdat hij daarin een studieperspectief ziet dat hem aanspreekt.

b. Motivatie                                                                                                   

Hoewel de leerling zich vragen kan stellen over zijn aanleg en zijn beeldend inzicht, vormen zijn aandrang en interesse de basis van zijn bewuste keuze. Een keuze voor een opvoedingssysteem waarvan hij vermoedt dat daar zijn persoonlijkheid als individu zal erkend en begrepen worden en verder harmonisch tot ontplooiing zal kunnen komen.

Hij moet dan ook mentaal en daadwerkelijk bereid zijn voor die vorming te werken. Het leren begrijpen van de vormentaal en het verwerven van het beeldend inzicht om de vormentaal gaandeweg als persoonlijke taal te leren beheersen vraagt veel geestelijk en manueel werk.

Zonder die motivatie kan de leerling de eisen van de vorming niet inlossen. Want naast de uren artistiek atelier in het lessenrooster, wordt van hem nog thuiswerk geëist : enerzijds studiewerk om de problematiek van de opdrachten uit te diepen en anderzijds manueel werk om de persoonlijke oplossingen vorm te geven.

c. Bijkomende persoonlijke eigenschappen                                             

De vorming in het kunstonderwijs heeft niets gemeen met een vrijblijvend bezig zijn in hobbymentaliteit. Het is een intens proces dat inzet van geest en intellect vergt en een beroep doet op intuïtie en gevoel. Voor het welslagen van zijn vorming in het kunstonderwijs, blijken volgende persoonlijke eigenschappen van de leerling belangrijk te zijn :

 .      verantwoordelijkheidsbesef t.o.v. eigen optreden, bv. door voldoende organisatievermogen op te brengen om thuis de beeldende opdrachten te kunnen afwerken binnen de gegeven tijdslimiet.

.      zelfbewustzijn zonder zelfingenomenheid, d.w.z. dat de leerling moet kunnen openstaan voor andere oplossingen dan de zijne en kritiek op eigen werk moet kunnen accepteren.

.     een leergierige interesse voor de beeldende kunsten als aspect van de algemene cultuur. Dit zet hem ertoe aan naar eigen interesse zijn vorming te verdiepen door persoonlijke lectuur, het bezoek aan tentoonstellingen en het bijwonen van culturele manifestaties, ook wanneer dit niet uitdrukkelijk in de opdrachten wordt vereist.

 


[ Info algemeen ][ Onze visie ][ Studieaanbod ][ Kalender/agenda ][ Studenten ]
[ Studenten ][ NIEUW op de site ][ Weblinks][Bibliotheek ][ Prikbord/Varia ][ E-mail ]


 Webmaster ("Webonaut")  :
paul@paulvanboven.com

De webmaster ("webonaut") kan niet verantwoordelijk gesteld worden voor 
publicatie van  foutieve of onvolledige  informatie op de site.    

--- Copyright Sint-Lukaskunsthumaniora Brussel . ----