In de audiovisuele vorming wordt een flink aandeel theorievakken (wetenschappen, talen en cultuurvakken) gegeven naast 7 uren atelier per week.
In het atelier wordt de leerling vooral begeleid vanuit zijn persoonlijke werkzaamheid. Hij wordt gestimuleerd om geïntegreerd te werken, met andere woorden om de kennis opgedaan in de theorievakken te betrekken op de atelierpraxis en vice versa. Denken, communicatie, techniek en zoeken vloeien samen in het atelier. Het atelier werkt volgens het ‘open atelier’ principe: de leerling maakt vrij gebruik van de infrastuctuur om zijn werk te realiseren.
Er wordt gewerkt met teksten, stilstaande en bewegende beelden, foto’s en (digitale) videofilm. Er wordt geleerd wat een beeld, een foto, een film is en hoe deze kunnen besproken worden, hoe men ze maakt, welk materiaal daarvoor nodig is en hoe men dat kan gebruiken.
Aan de hand van specifieke oefeningen én via het jaarthema leert de leerling verhalen vertellen, een boodschap meedelen, een sfeer scheppen, een herinnering vastleggen, gevoelens weergeven, een idee tot uitdrukking brengen, een waarneming realiseren enzomeer.
Er wordt verwacht dat de leerling persoonlijk werk maakt dat esthetisch verantwoord is, mededeelzaam is en over iets gaat.